Discussie Nederlands topsportbeleid
Onder leiding van lector sportbusiness development Jan Janssens ging gisteren een aantal genodigde gasten in discussie over het Nederlandse topsportbeleid. Centraal stond de vraag: Hoe ver gaan we om Nederland in de top tien van de wereld te krijgen?
Een debat, zoals in de uitnoding stond aangekondigd, werd het niet. Maarten van Bottenburg, hoogleraar Sportontwikkeling aan de Universiteit van Utrecht, vertelde aan de hand van vijf stellingen – waarop het aanwezige publiek kon reageren - zijn visie op het Nederlandse topsportbeleid. Cees Vervoorn, domeinvoorzitter bewegen, sport en voeding en Henk Hille, docent sportsociologie sm&o namen deel aan de discussie.
Een panel van studenten die een opleiding combineren met topsport werd gevraagd naar hun persoonlijke mening. Het studentenpanel bestond onder andere uit Mart Hofmans (rugby) en Roline Repelaer van Driel (roeien). Vorig jaar behaalde Roline een zilveren medaille op de Olympische Spelen in Beijing in 2008 met de Holland Acht, maar inmiddels is ze gestopt. ‘Ik ben gestopt op mijn hoogtepunt. Als voorbereiding op de Olympische Spelen trainden we ongeveer twaalf keer per week. Nu is het tijd voor andere dingen.’
Met voorbeelden uit het boek ‘Op jacht naar goud’, dat Bottenburg vorig jaar publiceerde, werden reacties uitgelokt. Van Bottenburg liet een tabel zien met daarin een overzicht van de sporten waarin Nederland sinds 1945 op de Olympische Spelen medailles heeft behaald. Hieruit bleek dat er negen sporten zijn, die garant staan voor negentig procent van de medailles. Zijn vraag was: wat willen we precies bereiken? Hille was hierin duidelijk: ‘We zouden elke vier jaar opnieuw moeten kijken welke sporten we vier jaar lang gestructureerd geld willen geven, zodat we minimaal 35 medailles behalen.’ Volgens Van Bottenburg zou men zich eerst moeten afvragen of dat wel het doel is. ‘Moeten we niet inzetten op Wimbledon, of op het WK karate?’
Op de stelling of Nederland alles op alles moet zetten om een structurele positie in de top tien van de wereld te bereiken waren de meningen in de zaal verdeeld. Van Bottenburg wist het wel: Als het budget voor topsport niet stijgt zullen we moeten kiezen. Maar de investering in topsport mag nooit ten koste gaan van de breedtesport.’ (AG)





