Opleidingscommissies niet genoeg benut
Er moet meer toezicht komen op het functioneren van de Opleidingscommissies (OC). Te veel inactieve leden en de diffuse onderlinge samenhang tussen de OC’s zorgen ervoor dat de ‘voelsprieten van het onderwijs’ niet effectief genoeg benut worden.
Dat stelt docent Duaal en OC-lid Jurriaan Gorter van het domein Economie & Management. Gorter pleit dan ook voor meer controle en toezicht op de commissies. Bovendien zouden er regels moeten gaan gelden voor het grote aantal ‘slapende leden’.
In principe kan nu iedereen – docenten en ouderejaars studenten – zich aanmelden als lid. Gorter: ‘Het domein heeft er op papier rond de driehonderd. Alleen al hier in het domein Economie & Management zijn er zo’n honderdvijftig niet-actieve leden. Die zie je een of twee keer bij een OC-vergadering en daar laten ze het bij. Dat moet anders. Wie twee keer niet komt opdagen zonder reden zou uit de commissie gezet moeten kunnen worden. Dan komt er meer ruimte voor actieve leden.’
Meer structuur en onderling contact tussen OC’s contact zou ook in relatie met de medezeggenschapsraden moeten gelden. ‘Wij hebben als OC-leden geen stemrecht, maar adviseren de MR alleen. Als ‘voelspriet van het onderwijs’ benutten de OC’s hun taak vaak te weinig.’ Per jaar moeten de commissies minimaal vier keer bijeen komen. Vergaderingen duren gemiddeld twee uur, volgens Gorter. Voor elk uur kan een lid tien euro declareren. Of inactieve leden hier mee sjoemelen, durft Gorter niet te zeggen. ‘Er is in ieder geval geen toezicht op naar mijn weten.’ Harko van den Hende (manager bedrijfsvoering DEM) ziet echter niet veel in direct toezicht op aanwezigheid en declaratiegedrag van de leden: ‘Dan krijg je een soort OC-politie. Laten we uitgaan van de eigen verantwoordelijkheid van leden.’
Hij herkent het beeld van inactieve OC’s, maar wijt dat aan de opleidingsvorm: ‘Bij voltijdstudies zie je dat de leden veel actiever zijn dan bij duaal of deeltijdstudies. We zijn al bezig OC’s en MR’s meer met elkaar in contact te brengen en ook zichtbaarder te maken, bijvoorbeeld via de gezamenlijke OER-dag. Dat kan absoluut sterker, maar is ook aan de raden zelf.’ (AV)





